Bibliotheek

De stille getuigen op de boekenplanken

De privécollectie van A.A. Bredius vormt de kern van de stichtingsbibliotheek. Zoals dat bij iedere privébibliotheek het geval zal zijn, weerspiegelt ook deze verzameling de interesses en de geestelijke levensloop van een mens, in het geval van Bredius kan daaraan toegevoegd worden, van een vergeestelijkt, zoekend mens.

Bredius werd geboren in een vrij streng Nederlands Hervormd milieu. Hij was leergierig en begiftigd met een enorm geheugen. In zijn jeugd verdiepte hij zich enthousiast in encyclopedieën, landkaarten, atlassen en reisbeschrijvingen. Bredius ging eigenlijk vanzelfsprekend theologie studeren in Leiden. De degelijke werken in deze bibliotheek over de Heilige Schrift en bijbelexegese, de handboeken voor de godsdienstgeschiedenis, de dogmengeschichte, de geschiedenis van de concilies, de patristiek, de christologie, de pneumatologie, de mariologie, de leer der sacramenten, enz., behoren bij deze periode. Bredius was daarnaast ook nieuwsgierig naar de andere kant van het verhaal, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit een paar zeer gedateerde, psychologische ontrafelingen van de figuur van Jezus Christus die neergelegd zijn in nog steeds aanstootgevende werken als 'La folie de Jésus'. Dat Bredius ook later aanhanger bleef van de gedachte 'eenheid-in-verscheidenheid', of misschien beter 'eenheid door of bij de gratie van tegenstellingen' en nieuwsgierig bleef, blijkt uit zijn blijvende belangstelling, in boeken uitgedrukt en door ons bijeen gezet onder de noemer 'occult', voor alle mogelijke soorten al dan niet historische, ketterse stromingen, van de Bogomilen, tot Jan Hus, de Rozenkruizers, de Catharen, de Albigenzen, Joachim van Fiore en duivelgenootschappen.

Tijdens zijn studie hield Bredius zich meer dan strikt geboden was, bezig met het Jodendom (inclusief de Kabbalah), de gnostiek, de Alexandrijnse school met Origenes, de Antiocheense school en de neoplatonici Jamblichus, Proclus en Plotinus.

Het protestantisme bood hem niet genoeg ruimte voor het mystiek-esthetische en misschien ook het ascetische. De Rooms-katholieke kerk met haar oude tradities en vooral haar oude kerkmuziek, waarmee hij tijdens een onderduikperiode in een Frans klooster intensief kennismaakte, lag meer in zijn lijn. Vooral voor het min of meer ascetische Jansenisme, het klooster van Port Royal, en de opmerkelijke en polemische figuur van Blaise Pascal had hij grote bewondering en natuurlijk ook voor een middeleeuwse platonische denker en theoloog als Nicolaas van Cusa. Een Frans zijpad betreft Bredius' passie voor de Maagd van Orléans, Jeanne d'Arc.

Het Rooms-katholicisme bleek een voor Bredius veel oorspronkelijker variant te hebben, waarin de gehele mystieke wereld van het vroege christendom in het nabije Oosten haar sporen hoorbaar achtergelaten had: de Byzantijnse kerkmuziek. Een van de weinigen die zich met deze betrekkelijk onontgonnen tak van de musicologie bezighield was Egon Wellesz, hoogleraar in Wenen en de grondlegger van de serie 'Monumenta Musicae Byzantinae'. Bij hem studeerde Bredius Byzantijnse musicologie. Muziek die in een bepaalde traditie wortelt, kan uiteraard niet gezien worden en nog minder bemind, los van die traditie, en deze bleek zeer veelomvattend te zijn: de vroeg-christelijke wereld van het Nabije Oosten en Klein-Azië; de Byzantijnse wereld, geschoeid op Latijns-Griekse leest en verrijkt met het geestesgoed van omringende, oeroude volkeren en tradities; de enorme invloedssfeer van dit middeleeuwse rijk; haar volkomen eigen ontwikkelingsloop en haar rijke geschiedenis; de zeker toen voor een westerling mystieke Byzantijnse liturgie waarop het Byzantijnse hofritueel van grote invloed geweest was; en uiteraard de Byzantijnse kerk met haar duidelijk Griekse en Slavische variant; het Byzantijnse geloofsleven, dat veel meer dan elders, vooral door het contemplatieve en ascetische leven van de monniken bepaald werd, en vooral dit laatste trok Bredius aan. Met het oosters christendom is de oosters christelijke sacrale kunst onlosmakelijk verbonden en daarmee de levens van de vele, vooral in het Oosten vereerde heiligen.

Een ascetisch mens met een neiging tot mystiek voelt zich uiteraard thuis in de Middeleeuwen en de middeleeuwse literatuur. De stille getuigen hiervan op de boekenplanken zijn legio: de Arthurlegenden, Floris ende Blanchefloer, de Graallegenden, Walther von der Vogelweide, Chrétien de Troyes, Wolfram von Eschenbach, Ruusbroec, Hadewijch, Zuster Bertken en de laatste Middeleeuwer, Dante. In deze bibliotheek zijn een behoorlijk aantal boeken die het ex libris van Jan de Vries, de vroegere hoogleraar Oudgermaanse taal en letterkunde in Leiden, dragen.

De afdeling Nederlandse literatuur wordt bepaald door dichters als Jacques Perk, Verwey en Kloos, maar vooral door Guido Gezelle, Arthur van Schendel en natuurlijk Boutens die onder invloed van Plato steeds mystiek-wijsgeriger werd. Meer wereldse dichters ontbreken volkomen. De romantische Duitse literatuur is min of meer compleet aanwezig en van de Engelse literatuur en kunst is vooral de verzameling boeken van de Prerafaëlieten opmerkelijk; met hen betreden wij een realistisch-sprookjesachtige wereld, in de kunst uitgedrukt in heldere kleuren en een ongelooflijke aandacht voor het detail.

Met de belangstelling voor reizen en vreemde landen groeit ook de belangstelling voor talen: de heer Bredius bouwde een prachtige verzameling woordenboeken en grammatica's op.

Natuurlijk kan de Brediusstichting niet alle vakgebieden uitbreiden die hier in beginsel aanwezig zijn. Om te beginnen zouden andere bibliotheken nutteloos overlapt worden en verder zou dat een aangelegenheid zijn die een stichtingsbegroting meer dan verre zou overschrijden. Wij richten ons dus vooral op de Byzantijnse musicologie, de iconenkunst en hagiografie, naast de belangrijkste handboeken en de boeken die in verband staan met voor het stichtingsprogramma belangrijke onderwerpen, zoals de kruistochten en Outremer.

In de database vindt u een rubricering en omschrijving van de boeken.